Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

SÉBASTIEN LE PRESTRE, MARQUIS DE VAUBAN (1633-1707)

Tournai / Doornik

Sébastien Le Prestre, heer van Vauban, wordt op 15 mei 1633 geboren in Saint-Léger-de-Foucheret in het Franse departement Yonne in Bourgondië als telg in een familie van lagere adel. Zijn geboorteplaats zoek je vandaag tevergeefs op de kaart, in 1867 is dat dorpje omgedoopt in Saint-Léger-Vauban ter ere van de beroemde dorpsgenoot. Sébastien treft het niet, als hij tien is wordt hij wees en van rijkdom is geen sprake. Kindertijd en jeugd spelen zich af op de boerderijen in zijn geboortedorp, want met dat werk houdt hij zich in leven. Maar een lichtpunt is de karmelietenprior van Semur, die hem wat kennis van wiskunde, aardrijkskunde en andere wetenschappen bijbrengt.


(Het verloop van de hieronder genoemde oorlogen van Lodewijk XIV en de daarbij door Frankrijk bij de diverse vredesverdragen verworven gebieden worden breedvoeriger beschreven onder het trefwoord Lodewijk XIV in onze Bollebooswicht.)


Het is een roerige tijd in 17de-eeuws Frankrijk. Binnenlands wordt koning Lodewijk XIII ‘le Juste’ gedomineerd door kardinaal Armand Richelieu, een man met drie grote streefdoelen: de politieke macht van de protestanten tenietdoen, het intomen van de oproerige adel ten voordele van de absolute macht van de vorst en de strijd tegen het Habsburgse Huis, dat het bewind voert in de Spaanse Nederlanden, het Oostenrijkse keizerrijk en in Spanje. Daardoor omsluit het Habsburgse gebied Frankrijk bijna volledig, een situatie waar de Fransen niet gelukkig mee zijn. Richelieu wil Frankrijk omgeven zien door natuurlijke grenzen en dat zijn voor hem de zee, de Pyreneeën, de Alpen en de Rijn.


Buiten de Franse grenzen woedt sinds 1618 de Dertigjarige Oorlog, een strijd van de Duitse keizer en de Spaanse koning tegen de protestanten, die met name in de noordelijke Duitse staten het bestuur in handen hebben gekregen. In 1636 raakt ook Frankrijk betrokken in deze oorlog, die de Franse legers zowel naar het noorden brengen, met de Spaanse Nederlanden – het latere België met nog een stuk van het huidige Noord-Frankrijk – als naar het zuiden, waar Catalonië hun doelwit wordt, dat zich in die dagen nog noordwaarts tot een stuk in het huidige Frankrijk uitstrekt.


Zo ziet de politieke situatie eruit van het Frankrijk waarin Sébastian Le Prestre, zeg maar Vauban, opgroeit. Nog voor hij echt van zich laat horen overlijdt eerst op 4 december 1642 kardinaal Richelieu en op 14 mei 1643 koning Lodewijk XIII. Dat brengt weer nieuwe verwikkelingen met zich mee.  


Op 5 september 1638 wordt in het paleis van Saint-Germain-en-Laye de jonge Lodewijk geboren als zoon van koning Lodewijk XIII en koningin Anna van Oostenrijk. Hij is nog geen vijf, wanneer zijn vader sterft en hij dus koning van Frankrijk zal worden als Lodewijk XIV. Zijn moeder Anna wordt voorlopig plaatsvervangster en zij kan het goed stellen met de opvolger van kardinaal Richelieu, Jules Mazarin, een Italiaan, die zich laat naturaliseren tot Fransman en daarna ook tot kardinaal wordt benoemd.


Op 24 oktober 1648 eindigt voor Frankrijk de Dertigjarige Oorlog met het Verdrag van Münster, waarbij Elzas een deel van het Franse grondgebied wordt en binnen het onafhankelijke hertogdom Lotharingen worden de prinsbisdommen Metz, Toul en Verdun aan de Fransen overgedragen. Tussen Frankrijk en Spanje duurt de oorlog echter nog voort.

Mazarin dekt de kosten van de Dertigjarige Oorlog met een belastingverhoging. De adel weigert die belastingen te betalen, zich beroepend op oude vrijheden en privileges. Daardoor wordt nu de burgerij extra zwaar belast en wanneer Mazarin een aantal rechterlijke ambtenaren van het Parlement van Parijs arresteert, werpen de Parijzenaars barricaden op en worden de ruiten van Mazarin-medestanders ingegooid. Dat laatste gebeurt met behulp van een slinger, in het Frans fronde genoemd. Dat woord wordt meteen de naam van een opstandige beweging. Een van de Franse legeraanvoerders, Louis II de Bourbon, 4de prins van Condé (en daarom kortweg Condé genoemd), kan de volksopstand bedwingen. Maar wanneer Mazarin weigert om hem als hoogste legerleider te benoemen, schept dat ongenoegen bij Condé en een reeks andere prinsen, die als edelen normaliter hoge functies aan het hof kregen, terwijl de kardinaal zich nu laat bijstaan door burgers.

Wanneer Mazarin op 14 januari 1650 Condé, prins Conti en hertogin Longueville arresteert wordt dat het begin van een opstand van de adel tegen Mazarin, die bekendstaat als de Fronde. Er ontstaat binnen Frankrijk een strijd tussen koningsgezinde legerleiders en legerleiders van de Fronde, welke laatste zich verbinden met Spaanse troepen. Overal in het land ontstaan schermutselingen tussen beide groepen, waardoor het land bestuurlijk naar een soort anarchie afglijdt.

Jonge Fransen sluiten zich bij die rondtrekkende legertroepen aan en onze Sébastien Le Prestre, Vauban dus, sluit zich in 1650 op zijn 17de bij een regiment van Condé aan. Hij gedraagt zich daarbij opvallend moedig en behaalt successen, wat ertoe leidt dat hem een ambt wordt aangeboden. Maar dat wijst Sébastien af omdat hij zich te arm voelt om de daarbij behorende status te voeren. Daarop neemt Condé hem aan als assistent bij de bouw van de vesting van Clermont-en-Argonne.

Maar het geluk lijkt niet zijn zijde te kiezen, Sébastien wordt in 1653 gevangengenomen door de koninklijke troepen. Toch valt dat nog mee, want hoewel opstandeling wordt hij goed behandeld en hij komt in de gunst van Mazarin, die hem weet over te halen om zich voortaan ten dienste te stellen van de koninklijke partij.

Al op zijn 22ste wordt Vauban aangesteld tot militair ingenieur des konings en verantwoordelijk voor wat heet ‘fortificaties’. Tussen 1653 en 1659 neemt hij zomaar even deel aan veertien belegeringen en raakt daarbij zelf enkele keren gewond. In de geschiedenis zal hij vooral als vestingbouwer bekend worden, maar in feite is Vauban evenzeer een man die vestingen inneemt en daar ook ideeën rond zal ontwikkelen en in praktijk brengen.

Op 7 november 1659 sluit Mazarin met Spanje het Verdrag van de Pyreneeën, dat een einde aan de oorlog maakt. Frankrijk sleept de Roussillon uit de brand, een streek tussen de Pyreneeën en de Middellandse Zee, die tot dan deel uitmaakte van Catalonië. In het noorden krijgt Frankrijk de streek van Artois en het zuiden van het graafschap Henegouwen. Bovendien arrangeert Mazarin een huwelijk tussen Lodewijk XIV en de Spaanse kroonprinses Maria Thérésia, dochter van de Spaanse koning Felipe IV (Filips IV). Zij zal tegen een bruidsschat van 500.000 gouden écu’s echter afzien van haar rechten op de Spaanse troon.

Na deze vrede schenkt Lodewijk XIV de opstandige prins Condé vergiffenis, waarna deze zich voortaan zal inzetten als maarschalk in de legers van de koning.

Wanneer Mazarin op 9 maart 1661 in Vincennes overlijdt kan de nu 22-jarige Lodewijk XIV eindelijk de bij zijn koningschap horende macht gaan uitoefenen. En hij heeft gezien tot wat het delen van die macht met de adel leidt, tot de anarchie tijdens de jaren van de Fronde. Dat draagt bij tot zijn streven naar een absoluut koningschap. Lodewijk zal dan ook als de Zonnekoning de geschiedenis ingaan. Hij zal zijn hele leven blijven streven naar uitbreiding van het Franse grondgebied tot aan de natuurlijke grenzen van de Pyreneeën, de Alpen en de Rijn. En dat betekent vrijwel constant oorlog voeren met omringende landen.

Vanaf 1662 krijgt Vauban van Lodewijk XIV opdracht om steden en legerplaatsen te versterken.

Mazarin heeft bij het sluiten van de Verdrag van de Pyreneeën al voorzien dat Spanje de bruidsschat van 500.000 gouden écu’s nooit zal kunnen betalen, waardoor de rechten van Maria Thérésia op de Spaanse troon ook niet vervallen. De Spaanse koning Felipe IV begrijpt dat echter ook, trouwt een tweede keer en dat resulteert op 6 november 1661 in zoon Carlos. Een zwak kind en ook geestelijk minder begaafd, maar wel erfgenaam. Wanneer zijn vader op 17 september 1665 sterft, volgt de nog geen 4-jarig Kareltje hem op. In de praktijk wordt zijn moeder regentes. In mei 1667 claimt Lodewijk XIV echter het erfrecht voor zijn vrouw Maria Thérésia. Hij steunt zich daarvoor op het in Vlaanderen en Brabant geldende devolutierecht, waarbij het oudste kind bij erven voorrang heeft en eist de Spaanse Nederlanden op. Spanje geeft niet toe, zo ontstaat de Devolutieoorlog, die van  8 mei 1667 tot 2 mei 1668 zal duren.

Maarschalk Turenne neemt op 2 juni 1667 Charleroi in, op 6 juni Ath, in de nacht van 20 op 21 juni geeft Doornik zich gewonnen, Namen op 30 juni, Douai volgt op 23 juli en uiteindelijk valt ook Lille (Rijsel) op 27 augustus 1667. Tezelfdertijd valt een ander Frans leger westelijker de Spaanse Nederlanden binnen, waar eerst Sint-Winoksbergen (Bergues) wordt overrompeld, daarna Veurne op 12 juni 1667, Kortrijk op 18 juli en Oudenaarde nog in dezelfde maand, waarna op 2 augustus Aalst nog volgt.

Bij een groot aantal van deze belegeringen en innames speelt Vauban een belangrijke rol. Mede door hem vergt het beleg van Doornik, Douai en Lille samen slechts negen dagen. Dat blijft niet onopgemerkt door de aanwezige Lodewijk XIV, waardoor de ster van Sébastien onmiddellijk flink stijgt. De koning vertrouwt hem de bouw van de citadel van Lille toe, die bekend zal worden als de koningin onder de citadellen en je kan die vandaag nog steeds bezoeken.

In Doornik wordt ook een nieuwe citadel aangelegd, waarvoor de volledige Sint-Catharinaparochie van zo’n driehonderd huizen, een kerk en een klooster afgebroken wordt. Vauban houdt hier enkel toezicht op de werken, waarvan het ontwerp van de hand van Deshoulières is, terwijl Sébastiens vriend ingenieur Jean de Mesgrigny als bescherming van de vesting een systeem van mijnen bedenkt.

Vanaf 1668 krijgt Vauban de functie van commissaris-generaal van de fortificaties, ook al blijft ridder de Clerville tot diens dood in 1677 die titel officieel behouden. Vauban voert zijn opdrachten uit langs de grenzen van het gebied waarover Lodewijk XIV heerst en ook langs de kuststroken en havens, die vooral van minister Colbert afhangen, die zich bezighoudt met de handel en industrie in Frankrijk. Colbert vraagt ook steeds vaker het advies aan Vauban.

In het Frankrijk van Lodewijk XIV is de ene oorlog pas voorbij als de volgende zich reeds aankondigt, een drukke periode voor wie in de vestingbouw zit of belegeringstactieken ontwikkelt. In 1672 staat de Hollandse Oorlog voor de deur, die tot 1678 zal duren. Frankrijk staat hierbij tegenover een coalitie van de Republiek der Verenigde Nederlanden, het Duitse keizerrijk, Spanje en de Duitse keurstaat Brandenburg. Stadhouder Willem III van Oranje-Nassau is de initiatiefnemer van de samenwerking.

Tijdens deze oorlog raadt Vauban  in 1673 Lodewijk XIV en diens minister van Oorlog François Michel Le Tellier, markies van Louvois, aan om het aantal te versterken plaatsen te beperken en enkel de versterkingen te behouden die niet binnen vijandelijk gebied geïsoleerd liggen. Daarom stelt hij een dubbele vestinglijn voor, waarvan de eerste linie van Duinkerke (Dunkerque) over Sint-Winoksbergen (Bergues), Veurne, Fort Knokke (niet bij de West-Vlaamse badplaats, maar een oud fort nabij Nieuwkapelle, waar destijds de Ieperlee in de IJzer uitmondde), Ieper, Menen, Lille (Rijsel), Doornik, het Fort van Montagne, Condé, Valenciennes, Le Quesnoy, Maubeuge, Philippeville tot Dinant loopt.

Een tweede fortenlinie wordt aangelegd van Gravelines (Grevelingen) over Saint-Omer (Sint-Omaars), Aire, Béthune, Arras (Atrecht), Douai, Bouchain, Cambrai (Kamerijk), Landrecies, Avesnes, Marienbourg, Rocroi tot Charleville.

De belegering van Maastricht in 1673 geeft Vauban de kans om zijn nieuwe aanvalsconcept te tonen, dat hij uiteengezet heeft in zijn verhandeling Conduite des sièges. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het ricochet-vuren met kanonnen, waarbij een kogel eerst tegen de grond stuit en dan opspringt. Zo kan de op een fort opgestelde artillerie van onderaf worden weggeschoten en het is ook een methode om delen van een versterking te vernietigen, die normaliter buiten bereik van gericht kanonvuur vallen, maar nu wel geraakt kunnen worden. Bovendien kunnen weerkaatsende kogels paniek veroorzaken in een verdediging, omdat ze over de wallen heen springen en inslaan op onvoorziene plaatsen. Ook laat Vauban drie parallelle loopgraven aanleggen, evenwijdig met de vestingmuren en verbonden worden door zigzag lopende verbindingsgangen.

Nadat de Vrede van Nijmegen in 1678 een einde heeft gemaakt aan de Hollandse Oorlog, reist Vauban tussen 1679 en 1688 heel Frankrijk door om overal vestingen te inspecteren, bestaande fortificaties te verbeteren of nieuwe aan te leggen. Lodewijk XIV annexeert in deze jaren diverse steden nabij de noord- en oostgrens van Frankrijk, telkens onder voorwendsel van een ‘hereniging’ met zijn land. Zo wordt Strasbourg in 1681 ingenomen en drie jaar later neemt Vauban binnen een maand de als vrijwel onneembaar bekendstaande vesting Luxemburg in. Die versterking bezit een aantal kanontorens op strategische punten.

Bij het Verdrag van Regensburg in augustus 1684 mag Frankrijk de geannexeerde steden twintig jaar behouden, in feite een toegeving van zijn tegenstanders om Lodewijk XIV twee decennia lang binnen de Franse grensen te houden.

Op politiek vlak geeft Vauban intussen ook zijn mening via tal van geschriften. Zo keurt hij in zijn geschrift Rappel des huguenois het besluit van Lodewijk XIV om het Edict van Nantes te herroepen af. Dat edict is door de grootvader van Lodewijk, koning Henri IV, uitgevaardigd op 13 april 1598 en houdt in dat de katholieke godsdienst als staatsgodsdienst wordt erkend, maar dat de Franse hugenoten – protestanten – een aantal privileges krijgen om hun geloofsovertuiging te belijden. Niet zo vreemd, Henri is zelf een tijdlang leider van de hugenoten geweest, maar zijn huwelijk met de zus van koning Charles IX, leidde op 24 augustus 1572 - de Bartholomeusnacht – tot het uitmoorden van een groot aantal hugenoten in Parijs, waarna Henri zich haastte om katholiek te worden en zo zijn leven te redden. Na in 1576 nog even opnieuw naar het protestantisme te zijn overgelopen, wordt hij nogmaals katholiek wanneer hij in 1584 de Franse troon kan erven – “Parijs is me wel een mis waard”, is een vaak geciteerde uitspraak van Henri.  In oktober 1685 herroept de Franse Zonnekoning het edict van Nantes en dat heeft een uittocht van 400.000 hugenoten naar Zwitserland, Engeland, Brandenburg-Pruisen, de Republiek en diens Kaapkolonie in Zuid-Afrika tot gevolg. Daarmee verliest de Franse economie een groot aantal geschoolde werkkrachten.

In 1687 stelt Vauban in Besançon (Franche-Comté) zijn deuxième système voor, waarbij hij deze reeds sinds 1668 door een citadel verdedigde stad voorziet van een tweede verdedigingslijn, uitrust met kanontorens, zoals hij die bij Luxemburg heeft gezien. Hij zal dat concept ook gebruiken voor een verdedigingscirkel rond de stad Belfort. De eerste verdedigingslijn bestaat uit halve manen (lunetten) en bastions, deze tweede linie ligt nog een stuk verder van de stad. In datzelfde jaar 1687 verovert Vauban in de Elzas de stad Landau en legt daar tussen 1688 en 1691 een vesting aan voor het Franse Rijnleger.  

In 1688 wordt Vauban benoemd tot luitenant-generaal. Hij gaat nu veel belegeringen leiden en laat versterkingen aanleggen of herstellen.

Het is ook weer tijd voor belegeringen, want als in 1686 de keurvorst van het Duitse vorstendom der Pfalz (de Palts) overlijdt, vindt Lodewijk XIV daarin een aanleiding om dat gebied te claimen en wanneer niet op zijn eis wordt ingegaan, leidt dat in 1688 tot de Negenjarige Oorlog, die dus tot 1697 zal aanslepen. Lodewijk ziet nu een grote concentratie van staten, de Liga van Augsburg, tegenover zich staan, waarin zowat heel West-Europa zich tegen hem heeft verenigd. Maar dat kan een Zonnekoning natuurlijk niet tegenhouden. Hij begint met de verwoesting van het grondgebied van de Pfaltz en valt ook de Spaanse Nederlanden opnieuw binnen.

In 1691 heeft Vauban de leiding over de belegering van de stad Mons (Bergen), die zich op 8 april 1691 gewonnen geeft, en vervolgens kan hij op 30 juni 1692 Namen innemen. Hij ziet daarbij kans om de Franse verliezen te beperken tot tien à twintig keer minder dan die van zijn tegenstanders.

De oorlog wordt afgesloten met de vrede van Rijswijk in 1697, waarbij Lodewijk vrijwel alle veroverde gebieden weer moet afstaan, maar Strasbourg nu definitief mag behouden. Op de linker Rijnoever gaat Vauban de Elzas versterken met forten en bij Neuf-Brisach introduceert hij zijn troisième système, een verdere verbetering van hetgeen hij bij Besançon en Belfort heeft opgezet. Neuf-Brisach is een versterking die tegenover het oorspronkelijke Brisach op de rechter Rijnoever wordt aangelegd. Dat Alt-Brisach is door de Fransen al eens ingenomen, maar ze hebben het moeten teruggeven aan de Duitse keizer.

Wanneer de Spaanse koning Carlos II kinderloos blijft, maken de Europese vorsten zich zorgen over wat er na zijn dood met het Spaanse Rijk zal gebeuren. Ze sluiten in 1700 in Londen een overeenkomst waarbij Lodewijk XIV de Spaanse bezittingen in Italië krijgt en de Habsburgse aartshertog Leopold I van Oostenrijk de overige Spaanse gebieden, waaronder de Spaanse Nederlanden. Maar Carlos II wil zijn rijk niet verdeeld zien en wijst bij testament Philippe van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV, als enig erfgenaam aan. Wel met de voorwaarde dat de Spaanse en Franse kroon nooit verenigd mogen worden, zodat Spanje onafhankelijk blijft.

Als Carlos op Allerheiligen 1700 sterft vergeet Lodewijk XIV onmiddellijk de Londense afspraken, omdat het testament hem beter uitkomt. Maar dat leidt natuurlijk tot grote onenigheid met de overige ondertekenaars van dat verdrag.

Echt lang stilzitten is er voor Lodewijk XIV nooit bij, ook nu stuurt hij in 1701 meteen zijn troepen de Spaanse Nederlanden binnen en niet lang daarna breekt de Spaanse Successieoorlog uit, die tot 1714 zal duren. Meteen al krijgt de Franse koning een Grote Alliantie tegenover zich van de Duitse keizer, Pruisen, Engeland en de Republiek der Verenigde Nederlanden. Als hoofd van het geallieerde leger wordt de Engelsman John Churchill, graaf van Marlborough, aangesteld – een voorvader van de bekende Winston uit WO II.  

Na de verovering in 1703 van Alt-Breisach binnen veertien dagen wordt Sébastien op 14 januari 1703 benoemd tot maarschalk van Frankrijk, zodat hij vanaf dan niet langer ‘seigneur’ maar ‘maréchal de Vauban’ is. Het is de bekroning van een carrière waarin hij 53 jaar in dienst is geweest van de Franse koning en in die tijd ongeveer 180.000 kilometer heeft afgelegd over wegen in slechte toestand en met de niet zo comfortabele transportmiddelen van die dagen. Bovendien wordt hij zijn leven lang geplaagd door chronische bronchitis.

Intussen is Sébastien erg actief in het schrijven van verhandelingen over allerhande onderwerpen. Hij geeft daarin blijk van een grote visie en zaken die hij daarin voorstelt of voorziet, worden vaak veel later uitgevoerd of bewaarheid.

Wanneer Marlborough in 1705 de linie van Brabantse forten in de Spaanse Nederlanden doorbreekt bij Zoutleeuw en met succes Franse versterkte steden worden ingenomen, waaronder herhaaldelijk Landau, begint er enige binnenlandse kritiek te komen op Vauban, wiens vestigingen dus niet onneembaar blijken. Maar dat heeft Sébastien natuurlijk ook nooit beweerd.

Ook minder gelukkig verloopt het met Sébastiens tractaat over belastingen, waarin hij de dîme royale introduceert. Hij wil iets ondernemen tegen de ongelijke belastingdruk in Frankrijk, waaronder met name de agrarische sector lijdt, terwijl de gegoede burgerij en de adel allerhande privileges heeft. Zijn plan is een heffing van tien procent op landbouwproducten en inkomsten van handel en industrie. Maar zijn idee verwekt een enorm protest, wat in 1707 resulteert in een veroordeling waarbij dat werk een publicatieverbod krijgt, omdat het niet vooraf aan de koning is voorgelegd. Vauban haast zich om reeds aan vrienden en bekenden verstrekte exemplaren terug te halen, uit vrees in de gevangenis te belanden of erger, de koning te ontrieven. Maar lang behoeft hij zich daaromtrent niet meer druk te maken.

Op 31 maart 1707 overlijdt Sébastien Le Prestre, maréchal de Vauban, om 10 uur ’s morgens aan een longaandoening in zijn Parijse woning nabij de Jardin des Tuileries. Zijn lichaam wordt begraven in de parochiekerk van Bazoches, nabij zijn kasteel op 15 kilometer ten zuiden van Vézelay, dat hij in 1675 heeft gekocht. Maar op bevel van Napoléon Bonaparte himself wordt op 28 mei 1808 zijn hart overgebracht naar de Dôme des Invalides in Parijs, waar het bijgezet wordt in een monument dat aldaar vandaag nog te zien is tussen andere monumenten van de grootste Franse maarschalken uit diverse tijdperken. Op de bovenverdieping van het aangrenzende Hôtel des Invalides kan je een reeks maquettes zien met versterkingen, die onder andere door Vauban zijn aangelegd. Van de ruim driehonderd vestingen die hij heeft laten verbeteren of aanleggen, heeft hij er 37 zelf ontworpen. Sinds 2008 zijn twaalf gedeelten van zijn versterkingen als UNESCO Werelderfgoed erkend, te weten Arras, Besançon, Blayé, Briançon, Camaret-Sur-Mer, Longwy, Mont-Dauphin, Mont-Louis, Neuf Brisach, Saint-Martin-de-Ré, Saint-Vaast-la-Manche, Villefranche-Hougue. Vandaag is voor elke stad het bezit van een versterking waar de naam Vauban mee verbonden is een extra toeristische troef, want die naam is een waar kwaliteitskenmerk geworden voor vestingbouw.

Citadel van Montmédy (FR)

© foto: Danielle Janssens