Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JOHANN NIKOLAUS VON HONTHEIM (1701-1790)

Virton

Het is 27 januari 1701 wanneer Kaspar von Hontheim in Trier de geboorte van zijn zoon Johann Nikolaus kan aankondigen. De familie is van adel, vader is algemeen ontvanger binnen het grondgebied van het aartsbisdom Trier. De familie heeft al enkele generaties banden met het hof van de aartsbisschop-keurvorst.


Wanneer hij twaalf is, krijgt Johann van zijn oom Hugo Friedrich von Anethan een prebende, een regelmatige vergoeding, die vooral werd verstrekt aan kanunniken. Oom Hugo is zelf kanunnik van het Trierse Sankt-Simeonkapittel, dat destijds in de beroemde Porte Nigra en het daarnaast gebouwde klooster zijn thuisbasis had. Op 13 mei 1713, dus enkele maanden na zijn twaalfde verjaardag, ontvangt Johann zijn tonsure, het scheren van een rond stukje boven in je kapsel, dat normaliter één jaar voor de wijding tot priester gebeurt, maar hier op erg jonge leeftijd plaatsvindt als teken dat de jongeman voor een geestelijke carrière kiest. Want Johann gaat eerst studeren, een middelbare opleiding aan het college van de jezuïeten in zijn geboortestad, vervolgens naar de Trierse universiteit om zich dan nog verder te verdiepen in de boeken aan de universiteiten van het Belgische Leuven en Leiden in Nederland. Daarna krijgt hij in Trier in 1724 de titel van doctor in de Rechten.


Johann gaat nu een wat ruimer stuk van Europa verkennen en doet op zijn reizen enige keren het Duitse college in Rome aan. Dan wordt hij in 1728 tot priester gewijd en opgenomen in het Sankt-Simeonkapittel in Trier in 1732, waarbij hij als hoogleraar aan de Trierse universiteit zijn bezigheden heeft.


Vanaf 1738 verhuist Johann von Hontheim naar Koblenz, waar hij als ambtelijk vertegenwoordiger van de Trierse aartsbisschop-keurvorst actief is. Hier vindt hij tijd om talrijke gedrukte en handgeschreven documenten te verzamelen, die het materiaal zullen vormen voor drie werken over de geschiedenis van Trier. Deze "Historia Trevirensis diplomatica et pragmatica" wordt in 1750 gepubliceerd in drie delen, gevolgd in 1757 door twee delen "Prodromus historiae Trevirensis". Vooral het groot aantal referenties daarin naar documenten en andere werken, maakt hen tot een autoriteit op geschiedkundig gebied voor Trier en vestigt Hontheims naam als pionier van de moderne geschiedkundige methoden.


Ook tijdens zijn jaren in Koblenz ziet Johann het effect van de inmenging in binnenlandse aangelegenheden van het Duitse Keizerrijk door de Roomse curie, de raad van bestuur rond de paus. Dat wordt hem vooral duidelijk bij de onderhandelingen die voorafgaan bij de verkiezing van de Duitse keizers Karl VII en Franz I, waarbij Hontheim betrokken is als assistent van de ambassadeur van de Trierse aartsbisschop-keurvorst. De pauselijke nuntius, die daarbij Rome vertegenwoordigt, stelt tamelijk buitensporige eisen en bemoeit zich persoonlijk met de samenstelling van het kiescollege. Heel dat gebeuren roept bij Johann de vraag op waar die pauselijke aanspraken eigenlijk op gefundeerd zijn. Hij gaat dat zelf kritisch onderzoeken en publiceert later zijn bevindingen onder het pseudoniem Justinus Febronius.


In 1747 neemt Hontheim ontslag uit zijn functie in Koblenz, hij is wat overspannen, en trekt zich terug in het Sankt-Simeonklooster, waar hij het jaar daarop tot deken wordt verkozen. En in mei 1748 kiest aartsbisschop-keurvorst Francis George von Schönborn hem als hulpbisschop, waarna Johann in februari 1749 als bisschop ‘in partibus’ van Myriophytos wordt gewijd. Dat betekent dat hij in feite bisschop zonder bisdom wordt, waarbij een naam wordt toegevoegd van een gebied waar de katholieke Kerk op dat moment geen vaste voet aan de grond heeft, zodat daar toch geen bisschop zijn functie kan uitoefenen.


In het Duitse Rijk zijn er op dat ogenblik keurvorsten met de bisschopstitel, die in feite gewoon een mondain leven als prins leiden op kosten van de Kerk. Dat is ook in Trier het geval en hulpbisschop Johann von Hontheim heeft daardoor als vicaris-generaal de taak om het hele diocees bestuurlijk te beredderen, waarbij de keurvorst enkel zijn bisschopsambt opneemt bij officiële aangelegenheden.


In Bouillon verschijnt in 1763 onder het pseudoniem Justinus Febronius Johanns voornaamste theologische werk met de ellenlange titel "Justini Febronii Juris consulti, De Statu Ecclesiae et legitimâ potestate Romani Pontificis Liber singularis ad reuniendos dissidentes in religione christianos compositus". Hij stelt hierin dat Christus de sleutels van de Kerk heeft toevertrouwd aan alle gelovigen samen en dat de paus weliswaar de eerste onder zijns gelijken is, maar ondergeschikt blijft aan de Kerk als geheel. Hij mag de Kerk besturen en regels daarvoor opstellen, maar mag niet als een absolute vorst over die Kerk gaan regeren, zoals het ook in die dagen al de gewoonte van pausen is. De paus kan dus ook geen onfeilbare uitspraken doen, hij blijft onderworpen aan wat de concilies beslissen en zo’n vergadering kan ook door zijn collega’s, de bisschoppen, worden samengeroepen. Die bisschoppen kunnen binnen hun bisdom ook zelf benoemingen doen of zelf benoemd en afgezet worden door synodes (raden) van hun eigen kerkprovincie (het bisdom). De paus kan geen banvloeken uitspreken tegen beslissingen van nationale concilies en de gelovigen hoeven hem niet te gehoorzamen, wanneer hij zaken onrechtmatig naar zich toetrekt. De curie moet afgeschaft worden, want die pauselijke raad probeert steeds de macht in Rome te concentreren alsof het daar het hof van een of andere monarchie is.


Een van de bedoelingen van Febronius’ publicatie is de hereniging van de Roomse Kerk met de afgescheiden protestantse Kerken mogelijk te maken, omdat het protestantisme juist sterk de nadruk legt op de eigen beslissingsmacht van de lokale gemeenschappen. Ook de Duitse bisschoppen delen de inzichten van Febronius, wat gezien hun status als keurvorst en hun prinselijke levensstijl natuurlijk niet geheel verwonderlijk is. Zijn ideeën zijn ook niet revolutionair nieuw in die dagen, alleen weet hij ze zeer krachtig te verwoorden en een grote diepgang aan zijn uiteenzettingen te geven.


Het werk van Johann wordt in 1764 op de index geplaatst, de lijst van verboden boeken. Toch verschijnt al in 1765 een herwerkte en uitgebreide uitgave. Natuurlijk wordt Hontheim op het matje geroepen door Rome, hoewel hijzelf eerder verbaasd is over de polemiek rond zijn boek. Paus Pius VI verzoekt Clemens Wenzeslaus, bisschop en keurvorst van Trier, om Febronius tot herroeping van zijn geschriften over te halen. Uiteindelijk komt met Kerstmis 1778 een tekst tot stand die voldoende is bijgeschaafd om de paus en zijn kardinalen tevreden te stellen. Johann laat dat zelf weten aan de Trierse gelovigen, maar uit latere werken en zijn eigen houding blijkt dat die herroeping nooit echt gemeend is geweest. Bovendien blijven zijn oorspronkelijke ideeën aanslaan bij heel wat katholieke vorsten en leiders in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Portugal, het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk en de Oostenrijkse Nederlanden en zelfs in Italiaanse staten als Venetië en Toscane. Ook heel wat theologen in verschillende Europese landen bouwen verder op Johann von Hontheims ideeën.


Dat er uiteindelijk niets zal veranderen in de leiding van de Roomse Kerk, is te danken aan de Franse Revolutie, hoe anti-klerikaal die ook was. Maar juist dat bracht zo’n schok teweeg bij gelovigen, dat een centrale leiding onder sterke pausen daarna voor de diverse nationale gemeenschappen een grote steun wordt. Bovendien ruimt die Revolutie meteen alle bisschoppelijke Duitse keurvorstendommetjes op, waardoor die steunpilaren van Johanns ideeën wegvallen.     


Intussen wordt Johann in 1778 ook aangesteld als vice-kanselier van de Trierse universiteit, wat nog meer werk met zich meebrengt. Gelukkig wordt wat later Jean-Marie Cuchot d’Herbain tot co-adjutor benoemd, zodat hij een deel van die taak kan overdragen.


Nadat Johann von Hontheim in januari 1779 de hoge leeftijd van 78 jaar bereikt, neemt hij op 21 april van dat jaar ontslag als deken van Sankt-Simeon. Hij zal dan stilaan gaan wonen op een kasteel in Montquintin, een afgelegen plaatsje in de Gaumestreek in België, bekend om zijn bijna Provençaals klimaat. Johann heeft dat kasteel in 1760 gekregen van graaf Jean-Baptiste de Baillet Latour, maar het is dan wel een ruïne. Gelukkig heeft von Hontheim het geld om die steenhoop weer overeind te helpen tot een heus kasteel. Tijdens het bijwonen van de mis in de kleine romaanse kerk van Montquintin op 2 september 1790 wordt Johan von Hontheim onwel. Hij wordt direct overgebracht naar zijn kasteel, waar hij nog diezelfde dag overlijdt.


Hij wordt niet in het vrijwel onbekende Montquintin ter aarde besteld, maar zijn lichaam wordt naar de Sankt-Simeonkerk in Trier overgebracht en daar begraven. Wanneer Franse Revolutionaire troepen op 9 augustus 1794 Trier innemen wordt de stad een deel van Frankrijk, wat bij de Vrede van Lunéville in 1801 definitief wordt. Bij zijn bezoek aan Trier in oktober 1804 beslist Napoléon Bonaparte dat alle aanbouwsels van de Romeinse Porta Nigra gesloopt dienen te worden, wat dan ook de jaren daarna gebeurt, zodat van het Sankt-Simeon klooster en bijbehorende kerk niet veel meer overblijft dan het onderste deel van de absis. Daarom is in 1803 het lichaam van Johann nog eens verplaatst, nu naar de Trierse Sankt-Germankerk, die later is herdoopt in Sankt-Gervasiuskerk en na beschadiging tijdens de Tweede Wereldoorlog thans is opgenomen in het bisschoppelijk Angela Merici-gymnasium.


In de Gaumestreek wordt de legende verteld, dat de opvallende uitstulping naar het zuiden in de Frans-Belgische grens ten zuiden van Virton, speciaal door Frankrijk aan de Oostenrijkse Nederlanden zou zijn toegestaan om Monseigneur von Hontheim in staat te stellen zijn kasteel in Montquintin te bereiken, zonder het grondgebied van het Heilige Roomse Rijk te verlaten.