Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Quartier Latin

GERARD WALSCHAP (1898-1989)

"Tot mijn dertigste jaar was ik gelovig katholiek, van mijn dertigste tot mijn veertigste stierf en herleefde ik en vanaf mijn veertigste ben ik een zodanig ander mens, dat ik mij in mijn jeugd niet meer herken." Beter dan Walschap zelf, kunnen we de ontwikkeling in zijn leven en werk niet samenvatten.


Een ruim deel van die eerste dertig jaar speelt zich af in Londerzeel, een dorp in Vlaams-Brabant, tegen de grens met de provincie Antwerpen gevlijd. In de Sint-Jozefstraat nr.1 in het Londerzeelse gehucht Sint-Jozef drijven Floreng (Florent) Walschap en zijn vrouw Anna-Maria Peeters een herberg annex winkeltje. Er is een leeftijdsverschil van 15 jaar tussen beiden, Floreng heeft zijn vrouw leren kennen bij een vorige job, waar zij als weesmeisje ook in dienst was. Zij is 25 wanneer op 9 juli 1898 Gerard als tweede kind in een reeks van negen ter wereld komt, de vader al 40. De vader is streng, voor Gerard is hij door dat imago de volmaakte man, hoewel er eigenlijk weinig contact tussen vader en zoon is. Misschien juist daarom wel. Moeder Anna-Maria is ook geen blijmoedig mens: "Wij zijn weer te gelukkig, wat hangt er ons nu weer boven het hoofd?", vraagt ze zich regelmatig af. Welzijn en geluk, dat moet je verdienen. Wie het zomaar in de schoot geworpen krijgt, zal alsnog de rekening krijgen gepresenteerd. Een in die dagen zeker nog populair katholiek standpunt, waar ook Gerard mee zal opgroeien.


Dat opgroeien gebeurt via de gemeenteschool van Londerzeel, gaat in 1909 verder aan het Klein Seminarie te Hoogstraten, om al na één jaar te verschuiven naar het College van de Missionarissen van het Heilig Hart in Asse, waar Gerard zijn middelvare school voltooit. Achteraf geeft hij het zelf toe: éIk was een lastige jongen, ik moest altijd weten waarom."


In 1913 wordt Jan Hammenecker, een priester uit Mariekerke, in Londerzeel-Sint-Jozef onderpastoor. Jan heeft iets gemeen met Guido Gezelle, ook hij is dichter. Gerard trekt tijdens schoolvakanties met onderpastoor Jan op en dat opent voor hem de poorten naar de wereld van de literatuur. Aanvankelijk blijft dat bij poëzie, de twee vergelijken elkaars gedichten met elkaar. Het is dan ook met twee bundels gedichten, dat Gerard Walschap zal debuteren: Liederen van leed (1923) en De Loutering (1925).


Maar eerst gebeurt er nog iets anders in Gerards leven. Nadat hij in 1917 zijn intrek heeft genomen in het Scholasticaat van de Missionarissen van het Heilig Hart in Heverlee, begint hij aan zijn roeping te twijfelen. Tot dan toe was dat allemaal vanzelfsprekend geweest voor een intelligente knaap uit een niet echt notabele familie: priester worden. Maar als hij na twee jaar filosofie en één jaar theologie studeren voor zijn eerste wijding staat in 1921, breekt hij die opleiding vrij abrupt af. Hij voelt dat een celibatair leven niets voor hem is, maar dat hij gewoon een vrouw en een gezin wil hebben.


Na even aan privéscholen les te hebben gegeven, introduceert Hammenecker hem bij August Van Cauwelaert, die Gerard promt aanstelt als redactiesecretaries van het door hem gestichte weekblad Het Vlaamsche Land. Daar ontmoet Gerard Frans Delbeke, met wie hij later vier toneelstukken zal schrijven en daarnaast publiceert hij onder pseudoniem in het Averbode's Weekblad, een uitgave van de gelijknamige abdij. In 1924 verhuist Walschap naar Antwerpen, om daar redacteur te worden van Dietsche Warande & Belfort, het grote Vlaamse literaire tijdschrift. Een jaar later trouwt hij met Ninette Theunissen uit Maaseik, een overtuigd en praktiserend katholieke vrouw, die haar hele leven zal blijven ijveren om haar echtgenoot terug binnen de Kerk te loodsen. Haar grote verdienste ligt in het nauwkeurig archiveren van Walschaps knipsel- en brievenarchief, zoals blijkt na haar dood in 1979.


De literaire carrière van Gerard Walschap krijgt plots een speciale wending, wanneer zijn roman Adelaïde in 1929 verschijnt. Die voert de schroomvallige dochter van een dorpsnotaris ten tonele, die even denkt over een kloosterleven, maar door haar zinnelijke aanleg daarvan wordt weerhouden. Ze kent een gelukkig huwelijk, totdat de onderpastoor zich daarmee bemoeit: God zal haar haar enige zoon ontnemen als straf voor het uitblijven van een kroostrijk gezin en het dus egoïstisch beleven van haar lusten. Adelaïde cijfert zich daarop weg uit het leven van haar man, wordt ziekelijk jaloers, glijdt af naar krankzinnigheid en vermoedt dat ze erfelijk belast is. Uiteindelijk valt ze uit een raam, ongeluk of zelfmoord?


Zo'n verhaal kan voor de katholieke Kerk niet door de beugel. Jan Hammenecker - herkent hij zich in de onderpastoor? - gooit zijn presentexemplaar in de kachel, maar scheurt er nog eerst een bladzijde uit, waarop hij een kwaaie brief aan zijn nu ex-vriend Gerard krabbelt. De Boekengids spreekt ronduit over "viezigheid", Streven etiketteert "Misdadig en zedeloos", namens 75.000 kajotters verschijnt er een motie tegen het boek in de dagbladen ... Gerards vrouw en zijn twee kinderen vluchten eens huilend uit de kerk, omdat hun echtgenoot/vader vanaf de kansel wordt verketterd. Er wordt zelfs een omkooppoging opgezet: wanneer Walschap nu even een - desnoods dun - boekje schrijft waarmee de Kerk zich kan verzoenen, zal men hem tot een van de grootste auteurs van Europa maken. Walschap geeft geen krimp, vanuit Nederland zijn de reacties positiever.

 

En ook niet-katholiek België begint hem op te merken. Voor zijn roman Trouwen uit 1933 krijgt hij de Driejaarlijkse Staatsprijs. In 1938 bereikt na de publicatie van Sibylle de hetze een nieuw hoogtepunt. De beheerster van Dietse Warande & Belfort, juffrouw M.E. Belpaire, zorgt ervoor dat Walschap uit de redactie wordt gestoten en zo zonder werk valt. De Kerk boycot hem nu openlijk. Voor Gerard is dat de druppel die de deur naar de katholieke Kerk definitief dichtslaat. Een jaar later verschijnt zijn mesterwerk Houtekiet, over een stroper, vagebond, zwerver en dief die zich stoort aan god noch gebod, maar door alle vrouwen wordt aanbeden als stoere mannetjesputter. Jan Houtekiet sticht buiten bereik van de overheden zijn eigen gemeenschap Deps, waar promiscuïteit regel is. Langzaam vormt de nieuwe gemeenschap eigen normen, maar dan trekt Houtekiet zelf verder. Als hij later terugkeert, leert zijn 'andere' vrouw hem wat echte liefde is.


In 1940, tijdens Wereldoorlog II, wordt Walschap aangesteld als inspecteur van de Openbare Bibliotheken. De Vlaamse Vereniging van Letterkundigen wil de bezetter om de tuin leiden door zichzelf op te heffen en de gecontroleerde Kamer van Letterkundigen op te richten met Gerard Walschap als voorzitter, waardoor geen enkele auteur zich tegenover de nazi's hoeft te compromiteren. Alleen Walschap krijgt na die wereldbrand even problemen en zijn benoeming als inspecteur wordt geannuleerd. Maar een Ereraad van de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde zorgt voor eerherstel en in 1946 wordt Walschap redactiesecretaris van het Nieuw Vlaams Tijdschrift.


Met Zuster Virginie uit 1951 pleit Gerard voor verdraagzame coëcistentie van gelovigen en vrijzinnigen. Zelf gelooft hij dan al niet meer. De roman wordt bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs en in 1965 krijgt hij de Vijfjaarlijkse Staatsprijs als bekroning van een schrijverscarrière. In 1968 volgt de Prijs der Nederlandse Letteren en in 1976 verleent koning Boudewijn hem de adellijke titel van baron.


Na zijn dood op 25 oktober 1989 en zijn bijzetting op het Schoonselhof in Antwerpen, blijft alvast één conclusie overeind: Gerard Walschap heeft de morele ontvoogding van de katholieke Vlaamse lezer beslist bespoedigd met zijn vrijgevochten proza.


Gerard Walschap

© foto: Vera Seppion