Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JAN FRANS WILLEMS (1793-1846)

Op 11 maart 1793 wordt in huize "De Gulden Voet" aan het Sint-Bavoplein (gesloopt in 1974, een gedenkplaat markeert de plek) bij de familie Willems een jongetje geboren, op de eerste dag van de Franse bezetting van onze contreien. Hij groeit op als oudste van veertien kinderen in een kleinburgerlijk milieu, dat geleidelijk wegsukkelt in armoediger omstandigheden. Vader kan lezen en schrijven en is belastingontvanger en gemeenteraadslid in Boechout. Wanneer er een overheidsdecreet komt in 1807, dat bepaalt dat ambtenaren Frans moeten kunnen spreken, verliest vader Willems zijn betrekking. Wellicht liggen hier de eerste kiemen van zoonliefs flamingantisme. Bij Jan komt Frans op de tweede plaats, dus hij is de juiste man om een lans te breken voor de Vlaamse taal.


Jan Frans start zijn opleiding op kostschool in Kontich. Maar zijn ouders hebben een loopbaan als koster voor hem in gedachten, daarom wordt hij naar Lier gestuurd voor privé-onderricht bij de familie Bergmann. Daar krijgt hij een aantal principes mee: verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, interesse in de eigen taal, voorliefde voor de liberale vrijheid. Die vrijheid gebruikt hij meteen om in 1807 zijn literaire debuut te maken met een Hekeldicht op den marie en municipaliteyt van Bouchout, die zijn vader hadden ontslagen.


Hij trekt naar Antwerpen en belandt daar in 1809 bij notaris Van Puyenaer als klerk. Hij publiceert gedichten in de Almanak van het "Tael- en Dichtlievend Genootschap" en behaalt in 1812 de eerste prijs in een wedstrijd van de Gentse rederijkerskamer De Fonteine met een Lofdicht op de slag van Friedland en de Vrede van Tilsit.


In 1815 wordt hij adjunct-stadsarchivaris van Antwerpen en eind 1821 bevorderd tot ontvanger van de registratie. Zijn gedicht Aen de Belgen - Aux Belges zorgt in 1818 al voor heel wat ophef.  In datzelfde jaar trouwt hij met de weduwe Isabelle Boorekens, die al meteen twee kinderen meebrengt. Daar zullen er in de loop van hun huwelijk nog tien bij komen. Maar voor het zover is, wordt Jan Frans in 1819 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden.


Tijdens het Hollands Bewind ontpopt hij zich tot vurig 'orangist' en publiceert zijn Verhandeling over de Nederduytsche tael- en letterkunde, opzigtelyk de Zuydelijke Provintiën der Nederlanden (1819-1824). Een hele mondvol, maar het gaat dan ook over een Grootnederlandse eenheidstaal. Jan Frans wordt in 1826 lid van de Commissie tot uitgave van de oude vaderlandse kronijken en het jaar daarop van de Commissie voor de Rerum belgicarum scriptores. Nog in het woelige jaar 1830 krijgt hij een eredoctoraat in de wijsbegeerte en letteren van de Leuvense universiteit.


Bij de Belgische Omwenteling in 1830 kiest Jan Frans partij voor Nederland. Na de Belgische onafhankelijkheid wordt hem dat enthousiasme voor koning Willem I niet in dank afgenomen en Jan Frans wordt in 1831 als represaille overgeplaatst naar de kleine stad Eeklo als ambtenaar van de registratie. Juist in die periode verliest hij ook nog eens twee van zijn kinderen.


In 1834 publiceert Willems een moderne bewerking van de Reinaert de Vos, naer de oudste beryming, waarvan de voorrede vaak wordt beschouwd als een strijdkreet die de Vlaamse beweging op gang brengt. Gerehabiliteerd wordt Willems in maart 1835 opnieuw aangesteld als ontvanger van de registratie, nu te Gent. Kort daarop wordt hij lid van de Koninklijke Academie omwille van zijn grondige kennis van de Middelnederlandse letterkunde. Hij wordt in Gent de spil van de jonge Vlaamse Beweging.


In 1836 richt hij samen met Jan-Baptist David de "Maetschappij ter bevordering der Nederduytsche Tael- en Letterkunde" op. Deze vereniging geeft het eerste wetenschappelijke tijdschrift in Vlaanderen uit: Belgisch Museum. Door zich verder te verdiepen in de studie van de Middelnederlandse letterkunde wordt Willems de belangrijkste letterkundige van zijn tijd. Rond hem scharen zich o.a. Ledeganck, David, Van Duyse en anderen. Hij steunt het geruchtmakende Vlaams Petitionement van 1840, dat de vernederlandsing van de administratie, het gerecht en het onderwijs vooropstelt. Bij het Grote Taalcongres in 1841 zorgt hij er mee voor dat er een eenheid blijft bestaan bij de spelling van het Nederlands in zowel het noorden als in Vlaanderen. Die Willems-spelling wordt in 1844 van kracht.


In Gent leidt hij nu zelf de toneelkring "De Fonteine", die hem in 1812 nog had bekroond. Met deze Fonteinisten wil hij tijdens de Gentse Feesten een benefietvoorstelling geven, waarvan de opbrengst naar de Gentse armen zou gaan. De toelating om in de stedelijke schouwburg te kunnen optreden, wordt op de valreep ingetrokken omdat de zaal is toiegezegd aan een Duits gezelschap. Willems' verontwaardiging en protesten zijn zo heftig, dat een dodelijke beroerte hem op 24 juni 1846 treft. Hij sterft die avond in zijn huis aan de Zandberg 16, wordt aanvankelijk begraven op het kerkhof net buiten de Dampoort, maar op 20 juni 1848 overgebracht naar het nieuwe Campo Santo in Sint-Amandsberg. Zijn grafmonument is een werkstuk van Théodore-Joseph Canneel.


De eerste grote Vlaamsgezinde cultuurvereniging van liberale strekking krijgt zijn naam, het in 1851 in Gent opgerichte Willemsfonds.


Later ontstaan soortgelijke verenigingen van katholieke - Davidsfonds - en socialistische strekking - August Vermeylenkring, opgericht in 1954 door minister Hendrik Fayat en genoemd naar Brusselse auteur-politicus August Vermeylen (1872-1945).  


Op 4 juni 1848 wordt tegenover Willems' geboortehuis in Boechout een eerste monument van Mechelaar Jan Van Arendonck onthuld, dat op 27 oktober 1985 wordt vervangen door het huidige van Vic Gentils. Bij diens buste van Willems vormen gebronzeerd ijzer en holle ruimten samen het beeld.


Op het Sint-Baafsplein in Gent wordt door liberalen en katholieke samen een monument opgericht, gemaakt door de Brusselse beeldhouwer Isidoor De Rudder en onthuld op 27 augustus 1899 met een stoet van liefst 313 verenigingen. Een gespierde jongeman stelt op dit monument de Vlaams Beweging voor, die de sluier van de Vlaamse maagd verwijdert. Op de voorzijde staat Willems’ portretmedaillon, op een zijkant verwijst een moeder die haar kind leert zingen naar Willems’ Oude Vlaamsche Liederen de andere zijkant herinnert aan zijn bewerking van het dierenepos Reinaert de Vos. Het monument staat tegenover de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, als theater destijds de tegenhanger van de Franstalige Opera.


Boechout

Jan Frans Willems door beeldhouwer Vic Gentils

© foto: Danielle Janssens