VERA ALEXANDER BEERTEN
Op 27 februari is Vera Alexander Beerten te gast. Ze publiceerde in diverse tijdschriften zoals “Diogenes” en “Deus ex Machina” en verleende haar medewerking aan verscheidene poëziemanifestaties
waaronder “De Nachten van de Poëzie” in Antwerpen.
Beerten publiceerde tot op heden drie bundels bij Uitgeverij P. Na haar debuut “Dooraderd licht” (2002) volgden “Kantelingen (2006) en “Slechts kwade wind” (2010).
De bundel “Kantelingen” bevat de cyclus “Kindertotenlieder”, sarcastische aftelrijmpjes n.a.v. een ongeval met een veerpont, waarbij 35 schoolkinderen de dood vonden in het ijskoude water.
Deze cyclus inspireerde haar echtgenoot, componist Jules Gilles, tot het melodrama “Storia Vera”. Dit werk werd meermaals opgevoerd met de medewerking van Jan van den Broek (hobo), Jolien Wiels
(accordeon), Vera Alexander Beerten & Roger Nupie (woord).
Vera leest een selectie uit haar drie bundels en nieuwe gedichten.
© foto’s: Vera Seppion
Er is geen huis, geen lichaam waarin ik mij bewoon,
Zwerf binnenskamers – sloom – door oude schaduw
uitgesleten.
Schim. Alsof ik voor ik was al lang ben doodgegaan,
Geboren naam die mij aan aarde houdt geketend.
Vanuit het raam valt mij het Noorden aan,
Kil tot duidelijk wit bevroren. Ik heb het leven lief
In alles wat het eenzaam laat, ik ontwricht de tijd –
Licht – dat zichtbaar zijn onmogelijk maakt.
Jij twijfelt of ik zo wel kan bestaan.
Alleen, door niemand uitverkoren.
De zon heeft mijn verdriet verloren,
Laat mij nu, laat mij maar langzaam gaan.
uit: Dooraderd licht, 1998.
Vanochtend bij het vlieden van mijn slaap
Weenden er vreemde vaders in mijn hoofd –
Ze hingen in gebroken schommels
Met grote nutteloze handen
En wiegden gelijkmatig en droef
Zoals gehangenen aan touwen in wind.
Hun eindigheid was plots immens –
IJzingwekkend de vrolijkheid waarmee
Hun kinderen na te zijn gedood
Nog verder bleven spelen.
uit: Slechts kwade wind, 2010.
We lagen in ons bed van middagzon,
Uit elk verband,
Uit elke geschiedenis verbannen.
Vogels vlogen op uit ons verstand –
De huid die om ons heen zat, loste.
We vloeiden uit en over elkaar –
Werden zee, zwommen zonder handen
En op het voor ons uitverkoren strand
Stonden engelen op wacht
Met toeters, wimpels en bellen.
uit: Kantelingen, 2006.